Antwerpen Boekenstad

a a
facebook twitter flickr

Stijn Vranken

1 I Spat onder stroom

 

Begin dit jaar werd Stijn Vranken aangesteld als zevende stadsdichter van Antwerpen. Hij volgt daarmee Bernard Dewulf op. De stad Antwerpen koos voor Stijn Vranken vanwege zijn poëzie die getuigt van taalplezier en verwondering. Zijn eerste stadsgedicht is inmiddels een feit. Stijn Vranken: “Mijn eerste stadsgedicht is een ode aan het schitterende, eeuwig brandende vuur dat dit creatieve dorp aan de Schelde uitstraalt. Het gedicht is een bovenaanzicht, vanuit de ruimte gezien, waarin de stad oplicht als een vlek of een spat.”

Gratis affiche en stadsdichteravond 

Het eerste stadsgedicht van Stijn Vanken is vanaf dinsdag 20 mei in een prachtig ontwerp van Catapult beschikbaar als affiche. De affiche is gratis te verkrijgen in de Antwerpse districtsbibliotheken, het Letterenhuis, Atlas en de stadswinkel. Op vrijdagavond 16 mei is Stijn Vranken ook te gast op de Stadsdichteravond in de Arenberg waar hij samen met gewezen stadsdichters Joke van Leeuwen en Bernard Dewulf, en twee stadsdichters uit Rotterdam, Jana Beranova en Daniël Dee in gesprek gaat met Pat Donnez over de rol en de waarde van een stadsdichter voor een stad. Hij zal er in première ook zijn eerste stadsgedicht presenteren.

PRAKTISCH

Affiche stadsgedicht ‘Spat onder stroom’

-vanaf 20 mei 2014

-gratis af te halen in in de Antwerpse districtsbibliotheken, het Letterenhuis, Atlas en de stadswinkel (1 per persoon)

Stadsdichteravond Arenberg

-vrijdag 16 mei 2014, 20u30

-vrije toegang, u kan reserveren via boekenstad@stad.antwerpen.be

-Arenberg, Arenbergstraat 28, Antwerpen

 

STADSGEDICHT 

SPAT ONDER STROOM  (een bovenaanzicht)   

Zie uzelf daar eens liggen, daar beneden, zo licht, gij stuk
stad, al dat stralen staat u precies goed, al dat schijnen

zit u blijkbaar diep in het bloed, gij brandt als vaneigens
bijna door de kaart, zo vurig als gij uzelf bemint en dit  

brave land bevlekt, zo hard, zo hels, mijn god, gij non
stop big bang (in miniatuur, jaja, maar toch) - ach, waar

moet dat stranden, met uw steeds oeverlozer gescheld,
uw gebreek en gebouw, uw gegraaf en gedemp, uw  

geschipper en gevaar, uw keer om keer altijd maar
weer wat aan de hand - niet te geloven hoe luid gij lijdt  

aan uw zelfverklaarde rand - kom op schat, schitter nog
maar wat feller, ja gij, vermakelijke vlek, flikker voort

met uw geschilder en geschets, uw geschrijf en gezwets,
uw gekunst en gekitsch, uw gefuif en gefoor (ga door!)

met uw gesmoor en gesnuif, uw gesnor en gekuif, uw
getjing en getjoek, uw gezeik en gezoek, uw gedoe en  

gedroom - allez, komaan, vooruit, licht uzelf nog eens
wat hogerop (armen genoeg) - zie, voila: zo valt daar  

dan toch (uit uw eigen warme handen, jaja, maar toch)
een verdomd verdiend applaus (geklap, geklap!) voor u

en uzelf en vooral voorgoed, want zo zijt gij (dat ziet ge
nu eens van hier), gij schitterende plek

welgemorste mensheid, onbeschaamd schuim
op dit schiftend land, gij onuitwisbare  

spat onder stroom.

Stijn Vranken

© stadsgedicht Antwerpen 2014