Antwerpen Boekenstad

a a
facebook twitter flickr

Tom Lanoye

1 | Mijn moeilijk lief

Dit gedicht verscheen tijdens de Antwerpse 'visa-crisis', waarbij het volledige stadsbestuur ontslag nam en enkele hoge ambtenaren en politiemensen zelfs voor verhoor waren opgepakt.

 

Mijn moeilijk lief (1/3)

Vervloekt heb ik u, meer dan Beerschot ooit
verloor. Verlaten? In gedachten meer
dan eb en vloed uw kaden konden boenen.
Verraden? Nooit. Maar des te kwader vaak,
lijk iedere sinjoor, loop ik uw straten door
waarin zo veel zo grondig werd verklooid.

Maar waar - vooral door al wie er níet woont -
wat waardevol is nóg wordt weggehoond.
Dat ligt zwaar op mijn maag als ik dat hoor.
Ik spring dan - ondanks alles - in uw bres
en prijs u torenhoog. Ik wijs op uw
verleden, uw parlee, uw kathedraal.
Uw jazz toen jazz te boek stond als exces.
Ik toon u thans: uw kunst, uw diamant,
uw mannen van de mode en de dans.

Ik noem het allemaal! Maar met tactiek.
(Dus zonder uw balans en wapentuigtrafiek.)
(Uw flikken, al dan niet met vals krediet
en karren vol klandizie voor hun snol.)
(Uw secretaris met zijn vriendjeskliek.)
(Uw Schepenen met rugzak en sachochen.)
(Hun sleutelhangers, groter dan briochen.)
(De kaartjes voor hun koters.) (Hun paniek,
na jaren van struisvogelpolitiek.)

Oh nee! Dan krijgt kritiek bij mij geen kans.
Ik smelt voor uw tragiek en blijf u trouw.
Ik zing uw renommee. Qua fijne schrans.
Uw internationale resonans. Qua bier
met col en rock-'n-roll met zwans.
Uw trotse koppigheid. Uw hoerenchance.
Uw fel talent - gemaltraiteerd misschien,
maar door geen twintig charlatans te nekken.


Al uw geweldig bruisen! Al dat pakkends...
Wie dan nog met u lacht, krijgt op zijn bakkens.


Mijn moeilijk lief (2/3)

Ja ge zijt groot, mijn schat. Natuurlijk dat.
En schoon. Beroemd. Bravo. Proficiat.

Maar waarom maakt gij u, waar gij ook komt,
van eerstaf en vanher impopulair?
Met uw astrante praat. Uw grote mond
(waarin ik, als ik eerlijk ben, mijzelf
steeds vond). Met uw heel difficiel karakter.
Alleen Parijzenaren zijn bekakter.

Maar slechts Parijs bezit genoeg om dat
te zijn. Haar Seine - nog geen Schelde in
den helft - heeft meer terassen dan Sint-Anneke.
Haar bruggen? Eleganter dan uw tunnels.
Haar boulevards? Pikanter dan uw Leien.
In haar musea lopen meer Japanners
en naast haar Eiffel - is uw boerentoren klein.
Afijn: voor men u ziet als dubbelgangers?

En toch ken ik geen stad met meer potentie.
Ja, gij! Dat maakt u bang. Vandaar uw groot
laweit. Vanbuiten kloek, vanbinnen koek.
Op zoek - tegen gebrek aan efficiëntie -
op de verkeerde plek naar medicijn:
pampierderij. Gezeur en sleur en sleet.
Al dat gewichtig wachten op bescheid
na fel intern gekibbel en geschipper.

Hebt gij wel nood aan zo'n kwakzalverij?
Zijt wie ge zijt en vreest geen concurrentie.
(Alleen... Kleedt u wat hipper.) (Koopt wat schmink.)
(Ge vindt bij Pecotex al plenty sexy panty's.)
(Laat uw coiffure in coole krollen kammen,
ja perst uw prammen in een Wonderbra.)
(En houdt uw hand niet altijd op.) (En lácht eens -
al schijnt de zon alweer niet - op uw trammen.)


Mijn moeilijk lief (3/3)

Men zegt dat gij het liefst de waarheid hoort?
Welnu: bedrogen heb ik u. Gelijk gij mij.
Ik kon niet snel genoeg uw deur uit zijn.
Per boot, voituur of vliegmasjien - salut!
Het zeegat uit, het ruime sop - de kost!
En nooit kom ik nog weer - ik ben verlost!

Gelogen was het, als ik zei dat het mij speet.
Ik heb zoveel gezien dat hij niet hadt,
dat gij niet weet, en ik nooit meer vergeet.
(De Taj Mahal? Amai. Dat mocht er zijn.)
(Chicago, Rio. Het verenigde Berlijn.)
(Het Witte Huis, de Nijl. Het Rode Plein.)
(In Rome, die fantastische fontein!)
(De dansertjes op Bali.) (De woestijn.)

Maar waar dan ook kwam altijd dat moment
waarop het hoofd beschaamd werd afgewend.
Daar zijn ze weer. De bedelaars. De krottenwijken.
De broekjes, amper kleren aan het lijf, die stijf
van luizen staan. Niet één kan lezen en toch snui-
ven ze uit dertig merken lijm alleen de sterkste.

En altijd weer, in uniform: de bullebakken
die als een bende het bewind van hun ellende
beheren - letterlijk: geen vrouw in zicht. (Op tijd
en stond daalt wel beschaving neer, onder de vorm
van bommen en granaten, in de naam van God & Co.)
(Zij treft met wat geluk alleen de reeds mismaakten
die om den brode juist hun stompen en prothesen
stonden te tonen aan de gruwende toeristen
die naar hun thuisfront keren met een keur
aan kekke kiekjes en een eeuwenoud verhaal -
de geur van verse lijken in vernielde straten.)

Zo keer ik dezer dagen
ook rechtsom. Maar dan
met blaren op mijn hart.
Met gaten in mijn ziel.
Opnieuw. Dan toch. Weerom

vlij ik, op zalf en troost
bedacht, mij vol tegen
uw brede boezem aan.
En sus gered, verrukt,
beschaamd, bedrukt,
ten toon, ten langen leste:

'Ik mag mijn handje kussen dat ik woon
in de gewesten van Sus Antigoon.'

 

Bekijk hier een filmpje over dit gedicht.