Antwerpen Boekenstad

a a
facebook twitter flickr

Ramsey Nasr

1 | stadsplant

Dit gedicht vormde het officieel begin van Ramsey Nasrs stadsdichterschap en werd geschreven na een woelige periode die volgde op de voorstelling van Ramsey Nasr als stadsdichter.

Het gedicht doet een poging om het volledig Antwerps arrondissement te omarmen.  Zoals elke ballade eindigt ook dit werk met een 'envoi' of opdracht. Waar echter normaal gesproken de dichter zich richt tot zijn opdrachtgever, de Seigneur, richt hier de sinjoor zich tot zijn dichter. Ook met een opdracht.


stadsplant

1) de wortel

het was zonnig die dag, ik liep zonder helm over de leien
ingeburgerd als altijd, vrij als een ijzeren vlinder, volmaakt
gelukkig en op deze dag stortte ik gillend omlaag langs de werken
waar een mammoetbot mijn val brak: welkom in antwerpen

ik houd van opgebroken straten en bouwkuilen, ik snuffel graag zacht
aan die grens tussen ijstijd en stad, op mijn handen loop ik er rond
splijt grond onder kasseien, als een kind bij een inkijkoperatie wens ik
dat er iets moois uitkomt, een stadswal, munt of een stuk van een mens

alleen ditmaal, nu ik afgleed en de leien zelf zich vooroverbogen
oprezen als een vloedende golf boven mij en mijn mammoetbotje
ditmaal dus, nu de volledige stad zich languit kreunend openbraakte
en sloot – dit was toch anders (iemand zoog me als pepermunt in slaap)

toen ik ontwaakte met de smaak van moeras in mijn mond
bevond ik mij in een donker, een onbekend ontwerp, iets van
antwerpen ja maar als stelsel van buizen, ruien en ingangen
ideale stad voor dichters en ratten, een deadline met zijtakken

wat was dit, wie had die schitterende zinloze kanalen gegraven
met leeg zwart water, wist men dat op het kabinet, wist men daar
dat ik hier onderaards kon bootjevaren in een illegale stad
waar elke straat een dubbelganger met naambord had?

ook gloednieuwe tunnels liggen kant en klaar – maar voor wie?
zandvreters hebben een wegennet voor schimmen en doden aangelegd
voor onbestaande auto's, trams en schepen, terwijl vlak hierboven
het leven barst, lonkt en vastligt in een immer open graf

toegegeven, gezellig was het niet beneden, weinig ambiance
maar wat een rust: geen telefoon, geen achterklap of niks
en mogelijkheden voor het oprapen in deze spiegelstad
in deze kanalen zou ik met liefde willen verdwalen

ik zou kriskras dagenlang rondgokken op de tast
tot ik pardon madam tegen de scheldewand zou botsen
en de schelde zei kom het is maar een deukje, hoe is je naam
zij nam mij vast in haar mooie rivierarm en liet me weer gaan

toen ik tot slot de zandeter zelf in de scherpe ogen had gekeken
klom ik terug, ik stak mijn kop weer op als een mol in de kathedraal
en keek rond – ik was mezelf nog, ik was ramsey, voor de verandering
niet stilaan in een hij veranderd, maar in een gedicht op vakantie


2) de stengel

natuurlijk hadden we bang, ja bang dat hij via zwalpende omweg
aan onze melk, onze eiermarkt zou raken, schuren zou
langs de naakte muren van onze lieve vrouw of erger nog
bang hadden wij van gedachtes aan hem in de haarstraat

er waren er die hem s nachts richting bloedberg hadden horen
stiefelen (alleen dat woord al: stiefelen) en wat hij daar deed
we weten het niet, niemand heet hem er ooit zien opduiken
wat extra verdacht was want wat had hij daar onzichtbaar te zoeken?

wij voelden reeds hoe hij vloekend onze stad kwam omwallen
ons lichaam aanklampte met zijn brug van gladde palingen
wat wil de dichter? hij wil kansloos paren met onze stad
de man trekt op een zwarte dag als hete jas ons vleeshuis aan

wij zagen het komen: ons huis rond zijn leden en uit wandelen gaan
de pagadder zal ons kapotparaderen in speklaag, rode steen en o!
was godfried 3 met de bult of 2 met de baard desnoods er nog maar
niets staat nog vast – misschien is de dichter een vreemdeling zeker

maar allerbangst hadden wij (wij: clémentine, thérèseke, onze frans
ons milou, marjetje, de swa, de mil, de neus, onze rudy moustache
ons florreke, de senne, de fonne, den tuur, ons yvon en de schele mon)
toen de groenplaats zelf begon te schudden lijk tafel plus assenbak

we renden in paniek de 1e de beste kathedraal in
en zagen nog juist hoe hij (hij weer!) al rijmend en broebelend
de heilige vloer met gedenkplaten van onderen kopstoten gaf
erdoorheen brak en triomfantelijk de ruimte betrad als een zaad

vreselijk was het, hij stak meteen zijn hoofd in het orgel
hij kroop door de pijpen en nee toch, het verspreidde zich
duizendvoudig versterkt galmde het, vermenigvuldigd was hij nu
een leger van vieze hunnen en goten binnen onze schone muren

1 -1 -2! maar hij zat al met zijn poten aan de zijbeuken
hij begon traveeën te strelen, kapellen te kittelen, te betasten
een zachte beeldenstorm was hij o god waar bleven die flikken
licht van spitsbogen ving hij op, het glas-in-lood begon te blozen

toen zag hij ons – we stonden genageld van binnen en hij donderde:
'dag clémentine, dag fons, dag josé, gérard, miraise, philemon
dag thérèse, ghiselin, flor, swa, mil, tuur, frans, gust en yvon
daar ben ik, zullen we dan maar beginnen? voetjes van de grond!'

hij wees omlaag naar onze glansgelakte schoenen en o, o, o
wat keken we op toen hij die steunbeertjes onder ons wegsloeg
ons ongevraagd een citytrip lyrisch aufsteigen aanbood
we zouden helium gaan drinken, poefen op zonlicht – en dat mag niet

'vindt u het goed als ik uw kathedraal even opblaas en volsteek?'
neen! riepen we maar hij nam ons snel op in zijn gedicht, verbijsterd
hingen we als balonnen tegen het kruisgewelf boven het schip
ja toen stegen we maar op, met onze-lieve-vrouwe-zeppelin de hemel in

al snel hingen we met onze maagd boven de stad, totaal belachelijk
we moesten onze voeten uitdoen, over mijn lijk, maar je moest wel
we strooiden ze uit over de stad en zagen ze als dode vogels neervallen
licht, angstig keken we uit gothische ramen, gevangen in zijn gedicht


3) de bloem

de vraag is deze: gaat u mee van koekensgracht tot vlaaikensgang?
van kopstraat tot zakstraat was ik altijd een vreemde gebleven
wat wist ik van gagelbaan, lapperbos en de hele battaklan?

welnu, de slapende stad heb ik onder ons gespreid als een lichaam
ze ligt in narcose, neem alle tijd, vlieg rond en wijs mij rustig
de ledematen (verbindingsgeulen, omheiningleien, grensstraten) aan

zeg mij a.u.b. A waar het verschil zit tussen kipdorp en klapdorp
B wat de kern is, C wat het sas is, D wat bist, E wat zand, F dries
onderwijs me in de raadsels van wapper, klipper- en klamperstraat

als ik haar code ken zal ik in ruil, van hamerplein tot gruisweg
van goethestraat tot muggenpad, van erasmuslei tot banaanweg
uw stad wakker kussen, mijn lippen zullen dichterkikkers zijn

en sorry van het vliegen maar op deze hoogte zoen ik graag
voel ik donderkopjes in mijn maag van schoonbroek tot schroeilaan
o stijfselrui o paalstraat, ik krijg lust om de stad te bezitten

als een veranderend element zal ik hart met hitte breken
uit gist, gas, kalkstraat en olie heb ik mij een vrouw verkregen
groot antwerpen, sta op! loop met mij van lobbesplein tot bollebeke!

o ja ik wil! ik draag je door vrijgezellenstraat naar beddenstraat
ik wil je totaal van nieuw stad tot ouland, van oever tot toog
via lentelei en korte batterijstraat zullen wij mekaar beademen

maar zij – met haar limbastraat, klipstraat en wipstraat blijft ze
roerloos als een gehavende metropool – 1 stroomstraat beweegt
de elektronikalaan legt de hoorn van de telefoonstraat – ze zwijgt

*

thérèse, clémentine, de rudy moustache, miraise, de swa en de sjarel
ze plakken nog altijd tegen de ruiten van hun zwevende kathedraal
hevig verlangend naar venusstraat en ruimtevaartlaan beneden

dan ook, als op een teken, begint het licht te haperen, de zon zakt
ze ploft bolrood ineen en trekt ons mee naar onbekende ondergang
tussen ons ontwaakt de stad als lichaam van water en lampen

landend bij nacht zien we nog net een metropool haar arm heffen
en strekken – ze krabt wat aan de groenplaats, voelt uitgeslapen
of haar kathedraal er nog zit (ja, we zijn er) en staat op

het is voorbij, op weg naar de uitgang vraag ik de sinjoren:
'en, hebben we het gezellig gehad? heerlijk hoor, antwerpen'
stilte – milou mompelt zacht: 'wa wette gai van ongs stad?'

dus ik zeg tegen haar, ik zeg milou moet je horen zeg ik
tot vandaag ken ik enkel de hollandstraat en de rotterdamstraat
ik ken de haifastraat, de olijftakstraat, de jeruzalemstraat

in de jodenstraat vind ik mijn weg sinds lang zonder problemen
ik ken de van campenhoutstraat en de kneuterlei, de weerstandlaan
en de zwijgerstraat en de pesthofstraat en de galgenstraat

en de janssensstraat en de goedendagstraat en de leguit en de
goede hoopstraat en de wouwstraat en de onafhankelijkheidslaan
en de overwinningstraat en de vrijheidsstraat en et cetera


envoi:

'alles bon en wel, o grote poëet-labbekak-de-la-ville
maar excusé dat is antwerpen niet, uw hele sinksefoor daarboven
en uw mammoetbot en alles, schoon ze, maar dat pakt hier niet

waarom ruikt ge niet eens aan de geurende boezem van onze stad?
gij telt blaadjes op afstand en schrijft tevreden: een bloem zag ik
maar kom toch dichter, ruik ,we zijn echt meneer, wij leven

pas als ge aan ons gesnoven hebt, aan ons vlees, ons bloed
onze petrol en de sluikstort diep in onze kelk, dan misschien
doen we mee aan uw zweverig straatnamen-tric-trac-spel

met uw eendrachtstraat, uw eenheidstraat, uw verzoeningstraat
uw gelijkheidstraat en de harmoniestraat en de welvaartstraat
ja wie weet stijgen ook wij dan via voorspoedlei en regenbooglei

omhoog langs onze hemelstraat, niet omdat u dat verzonnen had
maar omdat we dat zo willen: kijk dan, onze zonstraat, onze
hemelrijklaan gaat van offerandestraat richting paradijsstraat

en niet langer omhuld door de muren van onze lieve madam
stormen we binnen, wij: thérèse, philemon, de neus en al de rest
van je hopland hosanna de heilig hartstraat in, gewichtloos hoger

waar het strand van sint anna als een ansicht op ons wacht
om dan bij de reuzenpoort willicht die rechterhand vol ballast
mee af te werpen, samen aan te kloppen – te worden toegelaten

als waarlijk vrije verzen in ons eigen stadsgedicht'