Antwerpen Boekenstad

a a
facebook twitter flickr

Peter Holvoet-Hanssen

15 | De genius van Nottebohm

Met het vijftiende stadsgedicht bracht StadsPeter Holvoet-Hanssen een eerbetoon aan de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. De bibliotheek vierde in 2011 drie belangrijke verjaardagen: 200 jaar familie Nottebohm, 75 jaar Nottebohmzaal en 10 jaar Nottebohmlezingen.
Het stadsgedicht werd opgenomen in het kunstenaarsboek 'Pérégrinations' van Eugénie Nottebohm, speciaal gerealiseerd voor de tentoonstelling 'Nottebohm Revisited' (9/12/2011 - 26/02/2012) in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. 'Pérégrinations' bevat verhalen, verzen en grafische beelden die de bezoeker uitnodigen om even stil te staan bij plaatsen in de stad die een rol spelen in de geschiedenis van de familie Nottebohm. De StadsPeter zelf verdwijnt hier achter zijn verzen.


De genius van Nottebohm

Eduardus! August! Maria! Oscar! Opstaan. Bezoek — we worden bekeken, gelezen. Schrik niet van het licht en van de wolken waarin de valwind schuilt ...

Daar sta ik bij de kade, zonder schaduw of naam - zelfs geen piano van de armen onder de armen. Schuil onder een hangar die zich verschuurt tegen de maan. Kom dichter. Zou ik een meisje zijn met pet of korte sokjes? Een vrouw als een zeilschip?

Tijgeroog, kijk, een maansteen. Zeg mij, hoe heet deze stad? A? Niet Abbottabad. Lijnen, een rivier die zich een bocht baant... Sint-Anna? Ik word hier op de rails gezet. Niemand die 'welkom thuis klokkenluider' zingt, alleen de kranen zuchten: 'Welkom bij de laatste kasseien, haveloze. Zeg ons, zijt ge van de overkant?'

Een ketting klingelt: 'Dit is een afspraak met onze geschiedenis. Steek een ander paar mouwen aan, afgetakelde.' Zwarte demon van de verzilverde maan, ik ben 200 jaar zoals Eugénie de vleermuis die vergeefs rechtop probeerde te slapen. Waar zijn de buildragers en de mosselwijven? De dag breekt open als een ei, een bus rijdt voorbij. De einder staat in brand. Geen bomen met noten op hun zang.

Zie een pierewaaier, op een bolder. Langs de rede hoor ik hem denken 'how to talk about glucose molecules' en terwijl hij de gelijkheid van het krachtmoment van de draaiing en het tempo van de impulsmomentverandering berekent, roept hij 'BOLDOG SZÜLETÉSNAPOT KÍVÁNOK' naar een meeuw. Meeuwenhart kijkt op want de meeuw schreeuwt terug: 'Köszi, kis kozmopolita!' Ik vlieg mee. Stad: 06:36 de meeuwen scheren de kade af; 07:39 de duiven komen met de treinen.

Kiskalóz ontmoet zijn liefje. Zoent haar hals langs de oevers van de rivieren. Kraait als de haan om 's ochtends de zon te begroeten en voor de laatste zon op de ponton.
In Engeland klinkt zijn cock-a-doodle-doo over de Theems.
In Frankijk roept hij cocorico langs de Loire.
In Duitsland zegt hij kikeriki bij de Elbe.
In Japan kraait hij kokke-koko langs de Yodo of kou-kou-kou-kou.
In België schalt zijn kukeluku over het water van de Schelde.

Zalig, de linde op dit plein. Ah, te roezeruisen... Een hand: 'Weg, buitenstaander!'
Te zwijgen als bloemen in de winter? Doorstoken met het zwaard der droefheden.
Zolang u keek en las - mijn zotte waterpas - streek liefde langs mijn hart.
Maar nu: een lange slangenzin maak ik niet meer af.
Mensen stappen door deze ruimte, uit dit gedicht -
verdwijnen in de tijd, uitgelezen licht -
verdwijnen na een tijd als de tijd op hen uitgekeken is
zoals ik weer als stoom verdwijn, zoals ook gij verdwijnen moet.

 


© Stadsgedicht nr. 15, 10 december 2011
Peter Holvoet-Hanssen, opgenomen in het kunstenaarsboek 'Pérégrinations' van Eugénie Nottebohm (samen met verzen van Don Fabulist).
Met dank aan Jan Robberecht (vijfde strofe) en Noëlla Elpers (zesde strofe) voor de inspiratie.