Antwerpen Boekenstad

a a
facebook twitter flickr

Peter Holvoet-Hanssen

7 | Rockox

Op uitnodiging van het Rockoxhuis schreef Stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen zijn 7de Stadsgedicht over de Antwerpse burgemeester Nicolaas Rockox (1560-1640). Joris Vercammen en Laura Verlinden brachten het gedicht op magische wijze tot leven in de kelder van het Rockoxhuis. Het nieuwe stadsgedicht in een ontwerp van Jelle Jespers werd aangebracht op een banier. Dit banier zal elke lente samen met de winterpotten uit de kelder van het Rockoxhuis gehaald worden om jong en oud te inspireren. Rockoxhuis, Keizerstraat 12, 2000 Antwerpen.



Rockox

R ock Rockox in zijn rollekoetsken? Spot niet met een Ridder.
    Geen wereld buiten en geen wereld binnen meer. Mijn huis ...
    In liefde thuis. Als gij dit leest, nog niet naar 't graf gedragen,
    dan glans ik als een sneeuwspoor op een vleugel en leef ik
    als 'n windeke dat van een ander is. Uw burgervader
    der Gouden Eeuw kent iemand die gij niet kent. Dat zijt gij.
    Hoor mij: 'De winterpotten uit de kelder! Schik ze schoon, mus,

                                  Dat 't waren zachte kamers waarin ik bleef

O otmoedig voor den Salichmaecker. Tuinman, veeg de webben
    weg. Aardbeiboom en oleander bij het spinnenwiel
    der tijd. De draadjes...' Klaar het Scheldewater, 'k zag de kraampjes
    op 't ijs. Maakt gij dat mee? MIjn ogen nog verzegeld, zie:
    de kathedraal verlicht door driehonderd lantarens! Ik was
    niet traag in 't geven. Kunst voorop. Mijn zwaard: nooit meer de gruw
    van lijken op de straat. Vriend Rubens: 'Ha, mijn fortenbouwer,

                     ontij groeide vanuit de wortels door de twijgjes heen

C is een halve O.' Op mijn schouw: Samson en Delila.
    Het vuur: 'Hoed u voor blinde passie, springvloed!, Stedemaagd
    schonk zeven witte, zeven rode rozen... Keulen - koets van
    mijn vrouw, haar ogen zwart bleef ik altoos getrouw. De Rinck
    was Gulden maar geen kind werd ons geschonken. Wij die zorgden
    voor vele weesmusjes, Faustina stond model. 'Kim, Toon,

                           die braken waaruit zuchten dropen die de vogels

K ijk, hoe die walvis sputtert!' Nacht valt als een schoudermantel.
    Fluweel, maar weet gij wel wat honger doet? Geen Spaanse pap.
    Ik wist: florijnen zijn er voor de armen, arm en rijk zijn
    één medaillon. 'Wat slap? Drink dan een Godfried van Bouillon.'
    Ge ziet dat ik ook lachen kan.Weer in de plooi, hier mijn paard.

                                dronken, vogeltje in mijn raam vroeg om een

O ok mijn naam stierf uit, als een kindje in de rui, een lijkje
    in een pot op 't Groenkerkhof... Inkt bevroren in mijn pen.
    Hou koers, reik de hand. Hang niet als een hemd te drogen. Woon in
    uzelf. Kom, tulpen! Fonkel, speelvogels in 't Rockoxhuis.

                     kruimeltje brood en droeg met zorg de schimmen op

X ing, carnarievogeltkens, in thien oraingieboomen;
    ick blinck in drinckgelas, in watertonne, ketelkens
    'met hoop en vrees - zolang de gouden munt draait rond mijn stad - ...'

                                 onderaan de tuin verder voor mij te zorgen.

© Stadsgedicht Antwerpen nr. 7, 25 maart 2011
Peter Holvoet-Hanssen m.m.v. Joris Vercammen: zijn verzen cursief
muze v. 5 en 6: Huguette Van de Woestyne.
Met dank aan Hildegard Van de Velde: conservator Rockoxhuis, alsook de biografie 'Nicolaas Rockox 1560-1640' van Leen Huet & Jan Grieten.